Check één — de stempel
Verreweg de belangrijkste indicatie. Elk gouden sieraad dat in Europa in de handel is gebracht, is verplicht gestempeld met een gehalteteken zodra het boven de wettelijke gewichtsgrens uitkomt (in Nederland één gram voor goud). Zoek dus eerst naar cijfers: 375 (9 karaat), 585 (14 karaat), 750 (18 karaat), 916 of 917 (22 karaat), of 999 (fijn goud). Ook oude cijferloze tekens — het Nederlandse zwaardje, de Franse adelaarskop, de Britse kroon met leeuw — betekenen echt goud.
Waar te kijken: binnenkant van ringschachten, aan de rug van broches, op oorbelposts, aan de sluiting van kettingen. Vaak zeer klein — een loep of macro-modus op je telefoon helpt enorm. Zie voor uitleg per land de keurmerkengids.
Belangrijk voorbehoud: een stempel kan vervalst zijn. Bij grote waarde of twijfel is een stempel alleen niet genoeg — dan is een XRF-meting bij een juwelier nodig. En omgekeerd: het ontbreken van een stempel bewijst niet dat een sieraad vals is (klein of dun werk hoefde niet gestempeld te worden).
Verreweg de belangrijkste indicatie.
Check twee — het gewicht
Goud is opvallend zwaar. 18 karaat goud heeft een dichtheid van ongeveer 15 gram per kubieke centimeter, 14 karaat ongeveer 13, verguld messing of brons rond de 8 tot 9. Het verschil voel je: een gouden ring ligt duidelijk zwaarder in de hand dan een verguld exemplaar van dezelfde afmetingen. Wie een keukenweegschaal en een maatbeker heeft, kan zelfs de dichtheid meten door het sieraad in water te dompelen en verplaatsing te vergelijken.
Deze test is nuttig als vergelijking (heb je twee ringen, welke is edelmetaal?) maar minder als absoluut oordeel. Sommige moderne holle sieraden zijn licht ondanks goud te zijn; oud pinchbeck kan verrassend zwaar aanvoelen. Combineer altijd met stempel en visuele check.

Check drie — verkleuring en slijtage
Bij verguld werk slijt de goudlaag af op plekken die veel contact hebben — binnenkant van ringschacht, klaphaken van armbanden, sluitingen van kettingen. Wat eronder tevoorschijn komt is meestal geel messing of grijs zilver, met een duidelijk andere kleur dan de rest van het stuk. Verguld werk (gilt) heeft vaak ook een iets kariger, harder gele glans dan echt goud, dat warmer en zachter is.
Massief goud slijt egaal en verkleurt niet. Wel kan het oxideren tot een dof laagje (vooral 9 karaat, dat veel koper bevat), maar dat is een oppervlaktekwestie, geen kleurverandering onder de huid. Groene huidverkleuring bij het dragen wijst vrijwel altijd op verguld of laag-karaats werk met veel koper — echt hoog-karaats goud geeft geen huidverkleuring.
Check vier — de magneetproef
Simpel maar informatief. Goud is niet magnetisch. Zilver en platina ook niet. Een sterke magneet (bijvoorbeeld een neodymium magneet uit een oude harde schijf) mag geen enkele aantrekking geven. Voel je de kleinste plukkracht, dan zit er in de kern een ferro-magnetisch metaal — ijzer, staal, of een goedkope legering. Bijna zekere indicatie dat het niet massief goud is.
Let op: sluitingen, veren en scharnieren kunnen wél magnetisch zijn zonder dat het sieraad zelf onecht is (goudsmeden gebruikten daarvoor soms staal om de veerkracht te behouden). Test dus op de bulk van het sieraad, niet op de sluiting alleen.
Wat je thuis NIET moet doen
De zuurtest — een druppel salpeterzuur op een geschraapt oppervlak — geeft betrouwbare resultaten maar beschadigt je sieraad onherstelbaar. Het schaven zelf, de zuurvlek, de nabehandeling: alles laat sporen die de waarde permanent verlagen. Voor de intrinsieke check die je thuis vermoedt, verlies je bij een verkeerd stuk meer aan waarde dan de test je oplevert aan zekerheid.
De 'bijttest' (waarbij je in het metaal bijt om te voelen of het zacht is) is een oude legende zonder wetenschappelijke basis en risicovol voor je gebit. Ook de 'keramische krastest' beschadigt oud werk. Voor zekerheid: laat een juwelier een XRF-meting doen — kosteloos of tegen zeer laag tarief bij de meeste vintage-gespecialiseerde adressen. Zie de adressengids.
