De waardefactoren
Een taxateur weegt bij deze categorie een vast aantal criteria. Hieronder leggen we ze uit, in de volgorde waarin ze doorgaans worden bekeken.
Intrinsieke waarde versus verzamelaarswaarde
Voor eenvoudige ringen zonder ontwerp-meerwaarde is de goudwaarde de bodem. Voor alles wat handwerk, signering of periode-typerend is, komt daar een verzamelaarsdeel bovenop. Reken globaal op een factor 1,5 tot 5 verschil tussen puur smeltgewicht en verzamelaarswaarde bij mooi periodewerk.
Gewicht en gehalte
Het karaatgehalte staat gestempeld — 14kt (585), 18kt (750) of 22kt (916) zijn de meest voorkomende. Weeg de ring op een keukenweegschaal. Trek indicatief tien tot vijftien procent af voor eventuele stenen en pasta en je hebt een ruwe schatting van de goudwaarde. Voor 18kt geldt: gewicht × 0,75 × dagkoers goud = ondergrens.
Herkenbare periode
Retro (1935–1950). Grote gouden ringen met citrien, aquamarijn of amethist. De 'tank ring' met asymmetrisch bandwerk is een verzamelklassieker.
Mid-century (1950–1965). Klassieke solitair-ringen met oude briljant. Zuiver, tijdloos, doorlopend gewild.
Bombé & cocktail (1960–1975). Overmaats werk, vaak met turkoois, koraal of gebeeldhouwde goudpartijen. Sterk gestegen in de recente markt.
Gravering en staat
Persoonlijke initialen of datums in de binnenring drukken de verzamelaarswaarde licht. Historische graveringen (koninklijke datums, gilde-inscripties) of goud-smid-signaturen verhogen de waarde juist. Slijtage aan de binnenring (dun geworden band), sporen van eerdere vergroting of verkleining, en de zetting van de stenen tellen zwaar. Een originele zetting is waardevoller dan een moderne hervatting — ook als die technisch beter is.