De waardefactoren
Een taxateur weegt bij deze categorie een vast aantal criteria. Hieronder leggen we ze uit, in de volgorde waarin ze doorgaans worden bekeken.
Roos (rose cut)
Platte onderkant, gewelfde bovenkant met driehoekige facetten. Ontstaan in de 16e eeuw, volop gebruikt tot begin 20e eeuw. Glimt zachter dan facetsteen. Rozen worden per steen geprijsd; kleine rozen (onder 0,10 ct) hebben vooral verzamelaarswaarde in de context van een origineel montuur.
Old mine cut
Kussenvormig, hoge kroon, kleine tafel, grote culet (het puntje aan de onderkant is afgeplat). Circa 1750–1900. Vaak licht asymmetrisch — dat is bij deze slijpsels géén gebrek maar bewijs van handwerk. Een goede old mine boven de 1 ct met warme kleur en originele zetting is een klassieke verzamelaarssteen.
Old European cut
Rond, hogere kroon dan moderne briljant, kleinere tafel, zichtbare culet. Circa 1890–1930. Dit is het slijpsel dat je vaak in art-decoringen vindt. Steekt bij goede kwaliteit drie tot vijf procent boven vergelijkbare moderne briljant, doordat de verzamelaarsvraag groeit terwijl het aanbod krimpt.
Waarom niet meer gemaakt
Moderne verkeersnormen — de klassieke ronde briljant met 57 of 58 facetten — leverden aan het einde van de 20e eeuw een golf op van herslijpingen: oude diamanten werden 'gemoderniseerd' voor extra vuur, met verlies aan gewicht en karakter. Handwerk-slijpen op deze schaal is arbeidsintensief en niet meer commercieel; nieuwe stenen worden machinaal geslepen tot de moderne standaard.
Herslijpen = waardeverlies
Herslijpen kost 10 tot 25 procent gewicht en 20 tot 40 procent van de verzamelaarswaarde. Voor liefhebbers verandert een geherslepen old European cut in 'gewoon een kleinere moderne briljant', waarbij de warme lichtretour en het handwerk-karakter verdwijnen. Doen: niet doen, tenzij een specialist met veilingervaring hierom vraagt.