Parijs, hotel Ritz, 1908. Een gastvrouw ontvangt in een ivoren zijden japon met een decolleté als een lang, laag venster. Om haar hals hangt een collier dat op de foto's bijna verdwijnt — zo licht, zo doorschijnend is het platinawerk. Toch draagt ze een halskracht van diamanten waarvan de bruto waarde een klein herenhuis zou kosten. Dat is edwardiaanse elegantie: overvloed die zichzelf verhult in fijnheid.
De edwardiaanse periode is kort — nauwelijks vijftien jaar — maar heeft een uitgesproken handschrift. Vernoemd naar de Britse koning Edward VII, die in 1901 zijn moeder Victoria opvolgde, valt de stijl samen met de Belle Époque op het continent. Wanneer in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbreekt, sluiten de Franse en Britse ateliers hun deuren; rond 1915 loopt de stijl definitief ten einde.
De wereld waarin dit ontstond
Rond 1900 wordt platina beschikbaar. Dat klinkt technisch, maar het is een revolutie. Platina is sterker dan goud, waardoor edelsmeden veel dunnere structuren kunnen maken — draadwerk zo fijn dat het inderdaad op naaldkant lijkt. De cutting-technieken verbeteren tegelijkertijd: diamanten worden ronder, brillanter, en de open zetting laat er licht doorheen stralen.
De mode helpt mee. Vrouwen dragen witte, ivoren en pastelkleurige zijden japons met lange sleeps en diepe decolletés. De sieraden moeten daar niet tegen 'vechten' — ze moeten er als een fijn borduursel bij horen. Vandaar de guirlandes, strikken, lauwerkransen en bloemenslingers die de motievenkast domineren.
Het is ook de tijd van de grote Franse en Britse huizen op hun hoogtepunt. Cartier verhuist al in 1899, onder impuls van Louis Cartier, naar 13 rue de la Paix in Parijs — het pand dat vandaag nog bestaat; in 1902 opent het huis zijn Londense vestiging. Chaumet, Boucheron en Fabergé leveren aan een aristocratie die de kunst van het ontvangen tot in de laatste haarspeld beheerst.
Rond 1900 wordt platina beschikbaar.
Zo herken je het
Platina, altijd platina — vaak op een gouden basis voor waar directe huidcontact of veerkracht nodig is. Het metaal is grijswit en houdt zijn kleur; witgoud (dat na 1918 opkomt als goedkoper alternatief) heeft doorgaans een gele ondertoon die door rhodinering wordt weggewerkt. Bij authentiek edwardiaans werk is die rhodinering er niet, want witgoud bestond nog nauwelijks.
Millegrain — een rand van piepkleine bolletjes langs een zetting of ontwerpcontour — is dé handtekening van deze periode. Onder een loep zie je regelmatige, met de hand aangebrachte pareltjes; machinaal millegrain van later werk oogt egaler.
Motieven zijn geleend uit de achttiende eeuw: guirlandes, strikken (nœud-motief), lauwerkransen, kwastjes. De symmetrie is klassiek, het lijnenspel licht en zwevend. Diamanten zijn rose cut of old European cut, natuurlijke parels zijn bij voorkeur peervormig.
Platina, altijd platina — vaak op een gouden basis voor waar directe huidcontact of veerkracht nodig is.

