B
- Bajonetsluiting
- Sluiting waarbij een pen in een gleuf wordt gestoken en met een kwartslag vergrendeld — net als op een bajonetlens. Komt voor op broches, colliersluitingen en enkele armbanden uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Herkenbaar aan het karakteristieke kwartklikje bij het sluiten en een kleine geleidingsgleuf naast de pen.
- Briolette
- Peer- of druppelvormige edelsteenslijping die volledig gefacetteerd is, zonder platte tafel. Fonkelt aan alle kanten en werd graag toegepast in edwardiaanse hangers en oorbellen. Verschilt van een gewone druppel doordat er geen ongefacetteerd oppervlak overblijft; het licht speelt continu door de steen. → Edwardiaanse stijl
C
- C-clasp
- Vroege brochesluiting waarbij de pen simpelweg in een open C-vormig haakje valt, zonder veiligheidsmechanisme. Kenmerkend voor negentiende-eeuwse broches en vaak in combinatie met een langere pen die uit de broche steekt. Latere sluitingen (trombone, veiligheidsachtje) vervingen deze om verlies te voorkomen. → Sluitingen en constructie
- Cabochon
- Bol geslepen edelsteen zonder facetten. Traditionele slijpvorm voor stenen met sterlicht (ster-saffier, ster-robijn), chatoyance (kattenoog) of kleurspel (opaal). Ook toegepast bij ondoorzichtige materialen als koraal, git en amazoniet. Herkent u aan het gladde koepeloppervlak en de vlakke of licht gebolde onderkant.
- Calibréook: calibré-slijpsel
- Kleine edelstenen die op maat en vorm zijn geslepen om exact aan te sluiten op het ontwerp — bijvoorbeeld trapeziums, driehoeken of gebogen segmenten die naadloos naast elkaar liggen. Kenmerkend voor art deco- en edwardiaanse sieraden waar de steen letterlijk in het metaal past en de compositie draagt. → Art deco-sieraden
- Cameeook: cameo
- Portret of scène uit relief gesneden in een gelaagd materiaal — schelp, agaat, koraal of lava — waarbij de bovenste laag het beeld vormt en de onderliggende laag de achtergrond kleurt. Onderscheidt zich van intaglio: bij een camee steekt het beeld omhoog, bij intaglio zit het beeld verdiept. → Camee-sieraden
- Chatelaine
- Aan de gordel bevestigde haak met daaraan hangende kettinkjes, waaraan een vrouw haar gebruiksvoorwerpen droeg: sleutels, schaartje, notitieboekje, horloge, reukdoos. Kenmerkend voor de late achttiende en negentiende eeuw. Als sieraad is de chatelaine tegelijk mode en functionele accessoire — een zichtbaar teken van de vrouw des huizes.
- Choker
- Nauwsluitende halsketting die strak om de hals valt, meestal tussen 33 en 38 centimeter. Populair in de belle époque met parels en fluweel, opnieuw in de jaren twintig en in de jaren negentig. Vraagt om precieze pasvorm; een te ruime choker verliest zijn karakteristieke silhouet.
- Cluster-ring
- Ring waarbij meerdere kleinere stenen dicht opeen zijn gezet in een compact bloem- of drukbedje, zodat ze samen als één grote steen ogen. Populair in de victoriaanse en edwardiaanse periode en opnieuw in de jaren zeventig. Vaak een centrale steen omringd door kleinere, of een egale bezetting zonder duidelijk centrum.
- Cocktailring
- Opvallende, grote statement-ring bedoeld om te dragen bij avondkleding. Ontstaan in de jaren twintig en dertig — de tijd van de cocktailparty — en teruggekeerd in de retro periode. Kenmerkend zijn een grote gekleurde (semi)edelsteen of een uitbundig ontwerp waarin volume, contrast en glans domineren. → Retro-sieraden
D
- Demi-parure
- Kleiner sieradenensemble dat uit twee tot drie bij elkaar horende stukken bestaat — bijvoorbeeld broche met oorbellen, of collier met oorbellen. Onderscheidt zich van de volledige parure (met daarbovenop diadeem, armband, ringen) doordat het minder gelegenheidsgebonden is en vaker compleet bewaard is gebleven.
- Doubléook: gold-filled
- Metaal waarbij een dikke laag goud mechanisch op een basismetaal (meestal messing of tombak) is aangebracht — dikker dan verguldsel en aanzienlijk duurzamer. Negentiende-eeuws Frans doublé kan honderdvijftig jaar oud zijn zonder dat de goudlaag doorgesleten is. Herkenbaar aan gewicht en soms een stempel als 'doublé' of 'FIX'.
E
- Entourage-ring
- Ring met een centrale steen omringd door een krans van kleinere stenen (het 'entourage'). Klassieker in belle époque en edwardiaanse ontwerpen; het ontwerp accentueert de middensteen en vergroot optisch het geheel. Verschilt van de cluster doordat er een duidelijk centrum is; verschilt van de halo door de rijkere en vaak meerlaagse bezetting.
- Eternity-ring
- Ring met een rondom doorlopende bezetting van gelijke stenen — meestal briljanten of edelstenen — zonder onderbreking. Symbool van continuïteit en daarom populair bij trouw- en jubileumcadeaus. Nadeel: eternity-ringen zijn nauwelijks aanpasbaar in maat omdat de bezetting nergens onderbroken kan worden. → Ringmaat opmeten
F
- Filigrain
- Openwerk-techniek waarbij dunne gouden of zilveren draadjes tot een fijn kanten patroon worden gesoldeerd — soms met korrels (granulatie) als accent. Kenmerkend voor edwardiaanse platina-sieraden en voor Middellandse-Zeekust-tradities (Zuid-Italië, Griekenland). Vergt vakmanschap in solderen zonder de draadjes te versmelten.
- Foliezetting
- Zetting waarbij achter de edelsteen een gekleurd folielaagje wordt gelegd om kleur of vuur te versterken. Standaardtechniek voor georgian en vroeg-victoriaanse ringen met roosdiamanten en gekleurde stenen. Vraagt om droog bewaren: vocht achter de folie tast de laag aan en veroorzaakt vlekken die zichtbaar zijn door de steen. → Slijpsels door de eeuwen
G
- Gitook: jet
- Zwart, licht en warm aanvoelend fossiel materiaal — versteend hout — dat in de negentiende eeuw dé grondstof was voor victoriaanse rouwsieraden. Wordt in Engeland gedolven bij Whitby. Verschilt van glas en zwart onyx doordat het licht in de hand ligt en warm wordt bij aanraking; polijst tot een diepe, ingehouden glans. → Rouwsieraden
- Granulatie
- Techniek waarbij microscopisch kleine gouden korreltjes op een oppervlak worden aangebracht en zonder soldeer aan elkaar en aan de drager gefixeerd worden. Etruskische oorsprong, later door negentiende-eeuwse ontwerpers als Castellani heropgepakt. Kenmerkt archaeological revival-sieraden waarin fijne bolletjespatronen het decor vormen.
- Guirlande
- Compositie in de vorm van slingers of festoenen — kanten linten van edelstenen die als een guirlande door het ontwerp lopen. Kenmerkt de belle époque en edwardiaanse platina-sieraden: colliers, tiara's en broches werden opgebouwd rond dit lichte, hangende lijnenspel. Direct gerelateerd aan de contemporaine mode en interieurstijl (Louis XVI-revival). → Edwardiaanse sieraden
I
- Intaglio
- Motief dat verdiept in een steen is gesneden — het tegenovergestelde van een camee. Traditioneel gebruikt in zegelringen: een monogram of familiewapen dat in wax een afdruk in reliëf achterlaat. Vaak in carneool, bloedsteen of onyx; herkenbaar aan het holle beeld dat vanaf de bovenkant bekeken 'omgekeerd' oogt. → Zegelringen
J
- Jaarletter
- Letter in een keurmerkstempel die het jaar van keuring aangeeft — in Nederland tot 1953 op ieder gekeurd voorwerp verplicht. Combinatie van jaarletter en meesterteken maakt datering en toeschrijving mogelijk. Naast Nederland kennen Engeland en Frankrijk vergelijkbare systemen met eigen letterreeksen. → Stempels en keurmerken
L
- Lavaliere
- Fijn hangertje aan een dunne ketting, vaak asymmetrisch met één of twee kleine pareltjes of edelstenen aan een lichte guirlande. Populair rond 1900 en genoemd naar Louise de La Vallière, minnares van Lodewijk XIV. Perfect voorbeeld van edwardiaans, licht en romantisch werk in goud of platina.
M
- Marquiseook: navette
- Bootvormige, spits toelopende slijping van edelstenen — twee gebogen zijden die eindigen in scherpe punten. Vernoemd naar de markiezin de Pompadour, wier glimlach model zou hebben gestaan. Kenmerkend voor achttiende- en negentiende-eeuwse ringen (de markiezenring) en in de art deco opnieuw populair. → De markiezenring
- Meesterteken
- Persoonlijk stempel van de goudsmid of maker, in Nederland doorgaans initialen in een schild. In combinatie met waarborg en jaarletter maakt het meesterteken toeschrijving aan een specifieke atelier mogelijk. Meesterregisters van de waarborgkantoren zijn deels bewaard en digitaal doorzoekbaar. → Stempels en keurmerken
- Millegrain
- Fijne rand van minuscule korreltjes rond een zetting of langs een lijn, aangebracht met een millegrainwieltje. Kenmerkend voor platina-werk uit de belle époque en art deco: de korreltjesrand geeft het metaal een fluweelachtig licht en verzacht harde contouren. Slijt bij intensieve draag glad, waaraan de leeftijd van een ring soms afleesbaar is. → Edwardiaanse sieraden
O
- Old European cut
- Ronde diamantslijping uit circa 1890-1930, met een dieper paviljoen, een hogere kroon, een klein tafeltje en meestal een open cul. Voorloper van de moderne briljant, maar met een warmer, minder gecalculeerd vuur. Herkenbaar aan de zichtbare cul die als een cirkeltje midden in de steen oplicht. → Oude diamant-slijpsels
- Old mine cut
- Kussenvormige diamantslijping die circa 1800 tot 1890 dominant was. Rechthoekig met sterk afgeronde hoeken, hoge kroon, klein tafeltje en open cul. Werd met de hand geslepen bij kaarslicht en heeft daardoor een onregelmatig, warm vuur dat moderne slijpsels missen. Gewaardeerd door verzamelaars om die historische signatuur. → Oude diamant-slijpsels
P
- Parure
- Compleet sieradenensemble — collier, oorbellen, broche, armband en soms diadeem — dat in stijl en materiaal op elkaar is afgestemd. Volledig bewaarde parures zijn zeldzaam en verzamelaarsgoud; vaker treft men een demi-parure (twee tot drie stukken) aan, of stukken die uit een oorspronkelijke set zijn losgeraakt.
- Pendeloque
- Peer- of druppelvormige hanger, vaak aan een collier of oorbel. Ook: broche waar een tweede hangend element (met scharnier of lus) onder is bevestigd — de zogenoemde broche-hanger. Kenmerkend voor edwardiaans en art deco werk waar het pendeloque de compositie verticaal doortrekt.
- Pinchbeck
- Achttiende-eeuws legering van koper en zink dat sterk op goud lijkt. Bedacht door de Londense horlogemaker Christopher Pinchbeck om betaalbare 'gouden' sieraden en horlogekasten te maken. Herkenbaar aan het gebrek aan keurmerken en aan de kenmerkende, iets rossige kleur. Waarde vandaag vooral historisch en verzamelaarsgeld. → Materiaal en karaat
- Plique-à-jour
- Emailtechniek waarbij gekleurd email tussen dunne metalen draadjes wordt gesmolten zonder achterplaat — het resultaat werkt als een miniatuur-glas-in-lood, waardoor licht door de emailkleuren straalt. Karakteristiek voor art nouveau werk van René Lalique en tijdgenoten; fragiel en daardoor zeldzaam intact bewaard. → Art nouveau-sieraden
R
- Repoussé
- Techniek waarbij een metalen plaat vanuit de achterzijde wordt uitgehamerd om aan de voorkant reliëf te vormen. Vaak aangevuld met ciseleerwerk (nabewerking van de voorkant). Klassiek voor negentiende-eeuwse zilveren broches en gordels; het reliëf is voelbaar aan de achterkant als een omgekeerde vorm.
- Roosdiamantook: rose cut
- Diamantslijping met een platte onderkant en een gefacetteerde bovenkant in de vorm van een gesloten roosknop — meestal met twaalf tot vierentwintig driehoekige facetten. Populair van de zeventiende tot in de negentiende eeuw, vaak op foliezetting om vuur toe te voegen. Onlangs door hedendaagse ontwerpers heropgepakt. → Slijpsels door de eeuwen
S
- Sautoir
- Zeer lange ketting — dikwijls tot voorbij het middel — vaak eindigend in een kwast, hanger of pareldruppel. Kenmerkend voor de jaren twintig, gedragen over losvallende jurken en soms om de hals gedraaid tot een dubbele lus. Legt de nadruk op de verticale lijn die zo typerend is voor de art deco-silhouet. → Art deco-sieraden
- Screw-back
- Oorbelsluiting voor niet-gaatjesoren waarbij een schroefachtige knop achter de oorlel wordt aangedraaid om de oorbel op zijn plek te houden. Standaard van circa 1900 tot 1960 en veiliger dan de eerdere clip. Bij vintage oorbellen een sterke indicator voor de periode; wordt vandaag zelden nog nieuw geproduceerd.
T
- Tankarmband
- Zware, gelede armband uit de jaren veertig met brede goudschakels die op de rupsketting van een tank lijken. Retro-signatuur bij uitstek: massief goud, mannelijk-vrouwelijke uitstraling en robuust volume. Vaak uitgevoerd in roségoud en soms bezet met synthetische robijnen of citrienen op de sluiting. → Retro-sieraden
- Tombak
- Legering van koper en zink met een hoog koperpercentage — verwant aan pinchbeck maar met een iets diepere, roodachtige tint. Werd gebruikt voor betaalbare sieraden in de negentiende eeuw. Ontbreekt aan de gouden kleurdiepte bij intensieve draag: rood-koperige plekken worden zichtbaar waar de laag is versleten.
- Trombone-sluiting
- Cilindrische brochesluiting waarbij een tube over de pen wordt geschoven en met een klein knopje vergrendeld — als een miniatuur trombone. Kwam in gebruik rond 1890 en bleef populair tot in het interbellum. Overgang tussen de open C-clasp en de latere veiligheidsachtjes-sluiting. → Sluitingen en constructie
V
- Veiligheidsachtje
- Kleine acht- of s-vormige veiligheidshaak die om de pen van een brochesluiting draait om deze extra te vergrendelen. Standaard vanaf circa 1930 en tot vandaag in gebruik. Bij oudere broches soms later toegevoegd — een dateringsdetail waarmee restauratie zichtbaar kan worden.
- Verguld
- Metaal met een dunne gouden deklaag, veelal galvanisch (elektrolytisch) aangebracht. Dunner en fragieler dan doublé; de laag slijt bij intensieve draag door en toont het basismetaal. Vintage vergulde stukken kunnen mooi patineren, maar vergelijking met massief goud maakt het verschil bij handeling meestal snel duidelijk.
W
- Waarborg
- Officieel keurmerk dat het gehalte edelmetaal (goud, zilver, platina) waarborgt — in Nederland een leeuw, minervakop of soortgelijke figuur samen met een gehaltecijfer. Verplicht voor de meeste in Nederland verhandelde sieraden boven een bepaalde grens. Combineert met meesterteken en jaarletter tot een leesbare geschiedenis van een stuk. → Keurmerken