Parijs, Wereldtentoonstelling 1900. Bezoekers staan in een lange rij voor één vitrine: het paviljoen van René Lalique. Achter het glas ligt geen sieraad in de klassieke zin, maar een klein sculpturaal wezen — een libel met een vrouwenlichaam, met vleugels van plique-à-jour email zo dun dat licht er dwars doorheen valt. De kranten schrijven over 'een nieuwe kunst', een art nouveau. Voor het eerst sinds de renaissance is een juwelier een kunstenaar, en niemand kijkt meer alleen naar de karaatwaarde.
Art nouveau is een korte, felle beweging. Ze bloeit van 1890 tot ongeveer 1910, breekt met alles wat de negentiende eeuw aan symmetrie en zwaarte had opgebouwd, en verdwijnt bijna even snel als ze verscheen. Wat overblijft is een handvol meesters — Lalique, Vever, Fouquet, Wolfers — en een taal die vandaag opnieuw wordt gelezen alsof ze net verzonnen is.
De wereld waarin dit ontstond
Aan het einde van de negentiende eeuw is Europa moe van de industrie. Fabriekssteden zijn zwart van de rook, de burgerij is materieel verzadigd. Een generatie kunstenaars keert terug naar de natuur — niet als romantisch landschap, maar als organische kracht. Iris, distel, klimop, waterlelie, libel, slang, pauw: alles wat groeit, kronkelt en verandert wordt onderwerp van decoratieve kunst.
In Parijs zijn de leidende juweliers Lalique en Vever, in Brussel Philippe Wolfers, in Nancy de school rondom Émile Gallé. Ze werken buiten de traditionele hiërarchie van edelmetaal en edelsteen. Voor hen is een goede opaal waardevoller dan een middelmatige diamant, en een geëmailleerd hoorn-hanger evenveel waard als een klassiek goud stuk — omdat de expressie leidt, niet de intrinsieke waarde.
Vrouwen dragen los vallende reformkleding, S-line korsetten, en de eerste getailleerde jaquetten. Ze willen sieraden die iets zeggen, niet iets kosten. Art nouveau bedient precies dat verlangen.
Aan het einde van de negentiende eeuw is Europa moe van de industrie.
Zo herken je het
Asymmetrie is de regel. Waar victoriaans en edwardiaans naar spiegelbeeld streven, kiest art nouveau voor de gebogen, ongelijke lijn — de zogenaamde 'whiplash curve'. Een hanger heeft een linker- en een rechterhelft die duidelijk verschillen. Een broche kan aan de ene kant zwaarder zijn dan de andere.
Materialen zijn onconventioneel. Naast goud gebruikt de art-nouveau juwelier ivoor, hoorn, schildpad, gepolijst hardhout en glas. Email in alle vormen: plique-à-jour (zonder achterwand, doorschijnend als glas-in-lood), basse-taille (over gegraveerd metaal), champlevé, guilloché. Opalen en maanstenen — stenen met innerlijke beweging — worden verkozen boven diamant.
Motieven zijn nooit puur decoratief. Een libel staat voor efemeriteit, een pauw voor ijdele schoonheid, een iris voor de boodschapper. Vrouwenfiguren zijn dromerig, met lange haren die overgaan in golven, ranken of vlammen — een direct citaat uit de schilderijen van Alfons Mucha.
Asymmetrie is de regel.

