De waardefactoren
Een taxateur weegt bij deze categorie een vast aantal criteria. Hieronder leggen we ze uit, in de volgorde waarin ze doorgaans worden bekeken.
Signatuur en nummering
Een echte huissignering bestaat uit drie tot vier elementen: de merknaam, een serienummer, het metaalkeur en (bij vroegere stukken) een makers-poinçon van de fabricant die voor het huis werkte. Al deze markeringen zijn klein, exact geplaatst en met een 10x-loep controleerbaar.
Namaak-signeringen zijn een reëel probleem. Ze zijn vaak scheef, te grof gegraveerd of ontbreken het serienummer.
Verifieerbare herkomst
Archieven van het huis, oude veilingcatalogi en gepubliceerde monografieën zijn de bronnen om een signatuur te bevestigen. Serienummers kunnen door de grote huizen worden gecheckt tegen betaling — voor stukken vanaf enkele duizenden euro's is dat een investering die zichzelf terugverdient.
Provenance (aantoonbare eigendomsgeschiedenis) via oude taxaties, verzekeringen of familiedocumentatie werkt cumulatief: elk extra bewijs versterkt het dossier.
Documentatie en dooshuis
Originele dooshuis, oorspronkelijke rekening en (bij grotere stukken) een certificaat van authenticiteit door het huis tellen zwaar. Voor moderne collecties (na 1970) is deze documentatie steeds vaker beschikbaar; voor art-deco stukken uit de jaren '20 zeldzaam. Bewaar dus alle papierwerk dat bij een familiestuk zit — het is soms meer waard dan het sieraad zelf.
Factor 3–10 boven ongesigneerd
In de praktijk zien we bij vergelijkbare stukken (zelfde metaal, zelfde stenen, zelfde periode) een factor drie tot tien tussen gesigneerd en ongesigneerd. Voor iconische collectielijnen kan die factor nog hoger liggen. Een ongesigneerd stuk uit een groot atelier is niet waardeloos — het wordt getaxeerd op intrinsieke en ontwerpwaarde, zonder de signatuur-premium.