De waardefactoren
Een taxateur weegt bij deze categorie een vast aantal criteria. Hieronder leggen we ze uit, in de volgorde waarin ze doorgaans worden bekeken.
Sluitingstype als dateringsmiddel
C-clasp (een simpele c-vormige haak) wijst op werk van vóór circa 1900.
Trombone-sluiting (schuivende cilinder) komt vooral uit 1900–1930.
Rollover en veiligheidssluitingen ontstaan vanaf de jaren '30 en zijn tot vandaag in gebruik.
Een gemoderniseerde sluiting op een oude broche kan de waarde drukken. De naald zelf is ook een aanwijzing: dikke, iets grofere naalden horen bij oud werk; slanke gepolijste naalden zijn later.
Materiaal — costume of edel?
Vintage costume-broches (verguld messing met glazen stenen) worden vaak onderschat. Grote namen als Trifari (Alfred Philippe-ontwerpen), Coro Duette, Miriam Haskell en de couture-lijnen van Chanel of Christian Dior zijn levendige verzamelmarkten. Signering op de achterkant kan een broche van €40 in €400 doen omslaan.
Edelmetaal-broches (goud, platina, met echte edelstenen) worden anders getaxeerd: intrinsieke waarde plus ontwerp. Een 18kt broche van 12 gram met een goede saffier en originele zetting is snel boven de duizend euro.
Figuratief versus abstract ontwerp
Figuratieve broches (dieren, insecten, bloemen, trompe-l'oeil) doen het van oudsher beter dan pure abstracte vormen — met uitzondering van strak art-deco geometrisch werk. Paarden, honden, katten, libellen en bijen zijn evergreens; politieke of kroningsjaartallen-broches zijn nichecollectie-items.
Draagbaarheid en formaat
Overmaats werk uit de jaren '80 is niet elke week te dragen; die extra 'stuntfactor' drukt bij taxatie soms de prijs. Middelgrote broches (4–7 cm) met een veilige, moderne sluiting zijn commercieel het gewildst en halen bij vergelijkbaar ontwerp iets meer dan zeer grote of zeer kleine varianten.