Parijs, 1925. In een vitrine van een art-deco atelier ligt een lange sautoir met een centrale hanger in translucent appelgroen jade, geflankeerd door zwart onyx en kleine roosdiamanten. Het stuk is gemaakt in de Franse hoofdstad, maar het materiaal komt van ver: dit is jadeïet uit Boven-Birma, verhandeld via Hongkong en Shanghai en in Europa geslepen door meester-lapidairen die de eeuwenoude Aziatische traditie hebben overgenomen. In dezelfde jaren komt jade voor het eerst massaal in westerse mode terecht — de art-deco jadegolf — en met die golf komt ook een golf van imitaties, behandelingen en verwarring die tot vandaag doorwerkt.
Jade is een verwarrende naam omdat er twee verschillende mineralen mee bedoeld worden. Jadeïet is een natrium-aluminium pyroxeen; nefriet is een calcium-magnesium amfibool. Chemisch, structureel en optisch verschillen ze wezenlijk, maar beide zijn taai, dicht en goed polijstbaar, en beide worden in het Chinees traditioneel als 玉 (yù) aangeduid. Voor westers verzamelen is het onderscheid essentieel: jadeïet is zeldzamer, duurder en het materiaal van de meeste hoogwaardige art-deco stukken; nefriet is overvloediger, doffer, en het materiaal van veel etnografisch en negentiende-eeuws werk.
De steen in het kort
Op patroonniveau herken je jadeïet aan een fijnere, korreligere structuur die onder loep een 'gehamerd' oppervlak toont; goed materiaal is translucent en heeft een levendige glans. Nefriet is compacter, vezelig van structuur, met een oliegladde, iets zeepachtige glans en is meestal minder translucent. De kleuren overlappen: beide bestaan in wit, groen, geel, bruin en zwart, maar de kenmerkende Imperial Green (levendig, translucent appelgroen) hoort bij jadeïet, en de klassieke 'spinach' en 'mutton fat' tinten bij nefriet.
De hardheid is voor beide 6 tot 7 op de Mohs-schaal — niet extreem hard, maar door de dichte structuur zeer taai (breekt of splitst nauwelijks). Precieze determinatie tussen jadeïet en nefriet én tussen jade en imitaties (serpentijn, chrysopraas, dolomiet, glas) vereist een refractometer, dichtheidsmeting of infrarood-spectroscopie; ooginspectie geeft alleen sterke vermoedens.
In welke periodes je deze steen tegenkomt
In victoriaans werk (1837–1901) komt jade voor als exotisch importmateriaal in curio-stukken: cabochons in broches, snijwerk in hangers, en soms als centrale steen in Chinoiserie-ringen. Nefriet uit Noord-China of Nieuw-Zeeland (pounamu) domineert het aanbod; jadeïet komt pas na de opening van de Birma-mijnen halverwege de negentiende eeuw structureel op de westerse markt. Zie de victoriaanse stijlgids.
Art-deco (1920–1935) is de bloeitijd van jade in westerse sieraden. Zie de art-deco stijlgids. De geometrische esthetiek van de periode leende zich uitstekend voor gesneden of gefrezen jade-plaatjes gecombineerd met onyx, kristal en diamant; Cartier, Boucheron en Van Cleef & Arpels maakten iconische stukken in deze richting. De translucent groene jadeïet-cabochon in een platina ring met roosdiamant-omranding is een handelsmerk van de periode.
In retro en mid-century werk (1935–1960) blijft jade populair, vooral in cocktailringen en Aziatisch-geïnspireerde parures. Het materiaal is dan meestal gecombineerd met geel goud en heeft vaker de robuustere, iets minder translucente kwaliteit. Vanaf de jaren zeventig neemt behandeld en gekleurd materiaal (zie hieronder) een steeds groter deel van de markt in.
In victoriaans werk (1837–1901) komt jade voor als exotisch importmateriaal in curio-stukken: cabochons in broches, snijwerk in hangers, en soms als centrale steen in Chinoiserie-ringen.
Oud vs modern
Waarom jade het zwaarst geïmiteerde en behandelde materiaal in deze lijst is heeft een simpele oorzaak: goede jadeïet is zeldzaam en duur, en de markt is enorm. In de handel gelden vandaag drie codes. A-jade is natuurlijk, onbehandeld materiaal (op de mogelijke oppervlakte-was na); dit is het enige materiaal dat zijn kleur en glans op lange termijn behoudt en dat als verzamelbaar geldt. B-jade is natuurlijk jadeïet dat met sterk zuur is behandeld om onzuiverheden weg te vreten en vervolgens met polymeerhars geïmpregneerd — de kleur is echt maar de structuur is aangetast en de hars veroudert (verkleurt, wordt bros). C-jade is natuurlijk jadeïet dat met kleurstof is doortrokken; de kleur vervaagt over jaren tot decennia. B+C-jade combineert beide behandelingen.
Voor vintage aankopen betekent dit: bij aankopen van betekenis altijd certificering door een gerenommeerd gemmologisch laboratorium, dat expliciet uitspreekt of het materiaal A, B, C of B+C is en of het jadeïet dan wel nefriet betreft. Voor het bredere patroon rond behandelingen en imitaties in vintage: reproducties herkennen.
Imitatiematerialen die visueel op jade lijken zijn talrijk: serpentijn (New Jade, Bowenite), chrysopraas, groene aventurijn, kunstglas, geverfde dolomiet ('Malaysia jade') en gekleurde kwartsiet. In vintage werk komen glas-imitaties en serpentijn het meest voor; polymeerhars-behandelingen zijn een moderne kwestie en komen in stukken van voor 1970 nauwelijks voor. Een 'jade' art-deco ring met vlekkeloze kleur en volledige zuiverheid verdient argwaan; echt A-materiaal toont vrijwel altijd interne variatie.
