White Cliffs, New South Wales, jaren 1890. Australische mijnwerkers stoten in de gele zandsteen op iets wat ze zelden hebben gezien: witte opaal met een spel van rood, groen en blauw dat door de steen lijkt te lopen. Binnen tien jaar verandert het aanbod van opaal op de wereldmarkt volledig. Waar tot dan Hongarije (Cervenica, in het huidige Slowakije) de belangrijkste bron was, komt na 1890 een stortvloed Australisch materiaal beschikbaar — eerst White Cliffs, later Lightning Ridge (zwarte opaal), Coober Pedy en Andamooka. Wie een opaal in een sieraad van na 1890 aantreft, houdt bijna zeker Australisch materiaal vast; alle Europese vintage opalen van vóór die datum zijn Cervenica.
Opaal is geen kristal maar amorf silica (SiO₂·nH₂O) met tot 20 procent water in de structuur. Die watervoorraad maakt de steen zowel bijzonder als kwetsbaar. Verlies van water — door hitte, droogte, ultrasoon reinigen — leidt tot crazing: een net van fijne haarscheurtjes dat de opaal onherstelbaar beschadigt. Wie een opaal koestert, koestert een steen die letterlijk vocht bevat en dat vocht moet vasthouden.
De steen in het kort
Opaal heeft een hardheid van 5,5 tot 6,5 op de Mohs-schaal — beduidend zachter dan de klassieke kostbare stenen. De karakteristieke kleurwerking (het 'spel', play-of-color) ontstaat door lichtdiffractie op minuscule silica-bolletjes in de structuur. Kleur, intensiteit en patroon van dit spel bepalen de kwaliteit.
Belangrijke typen: witte opaal (lichte basiskleur, subtiel spel), zwarte opaal (donkere basis waar het kleurenspel dramatisch tegen afsteekt — zeldzaam en het meest gewild), boulder opaal (opaal ingesloten in ijzersteen, van nature met matrix), en vuuropaal (Mexicaans, oranje-rood, vaak zonder kleurspel maar met een intense basiskleur). Historische Cervenica-opaal (Slowakije) is meestal wit met zacht spel; grote Australische mijnen bepalen sinds 1900 wereldwijd het aanbod.
In welke periodes je deze steen tegenkomt
In laat-victoriaans werk (1885–1901) komt opaal snel op — deels dankzij de Australische productie die de markt bereikbaar maakte, deels omdat Queen Victoria zelf een uitgesproken liefhebber was en haar dochters opalen als huwelijkscadeau gaf. Zie de victoriaanse stijlgids. De aantrekkingskracht op het bijgeloof 'opaal brengt ongeluk' (deels op basis van Walter Scotts roman Anne of Geierstein uit 1829) hield ook aan, wat de markt volatiel maakte.
Art-nouveau (1890–1910) omarmt de opaal juist wél. De ondefinieerbare kleurwerking past perfect bij de art-nouveau esthetiek van vloeiende, natuurgetrouwe en zinnelijke motieven. René Lalique gebruikt opalen in libellenvleugels en vrouwenprofielen; zie de art-nouveau stijlgids.
Edwardiaans (1901–1910) integreert de opaal in verfijnde platinamonturen met diamant, vaak als centrale ovale cabochon in een halo van kleine diamanten. Zie de edwardiaanse stijlgids. In art-deco (1920–1935) verdwijnt de opaal grotendeels; de geometrische strakheid van de periode past minder bij het organische kleurenspel van de steen.
In laat-victoriaans werk (1885–1901) komt opaal snel op — deels dankzij de Australische productie die de markt bereikbaar maakte, deels omdat Queen Victoria zelf een uitgesproken liefhebber was en haar dochters opalen als huwelijkscadeau gaf.
Oud vs modern
Vaste opaal (solid) versus doublet en triplet. Een solid is één stuk opaal in cabochon-vorm. Een doublet is een dun laagje edelopaal op een donkere basis (vaak ijzeroxide of glas) om het kleurspel visueel te intensiveren. Een triplet voegt daarbovenop nog een beschermkoepel van kwarts of glas. Doublets bestaan al sinds de late negentiende eeuw en zijn in vintage werk niet ongebruikelijk; triplets zijn twintigste-eeuws. Onderscheid door zijkant te bekijken: bij solid zie je de kleurwerking doorlopen tot de rand; bij doublet zie je een scherpe overgang naar het donkere basismateriaal.
Synthetische opaal bestaat sinds 1974 (Gilson). Ze zijn onder een loep te herkennen aan een strak regelmatig patroon dat 'kolommen' vertoont bij zijaanzicht, en aan een uniforme structuur die natuurlijke opaal nooit heeft. Voor vintage sieraden van vóór 1974 is synthetische opaal per definitie een latere vervanging. Voor de bredere context van behandelde en synthetische materialen zie reproducties herkennen.
Crazing is de gevreesde kwaal. Een net van fijne haarscheurtjes in de opaal, veroorzaakt door verlies van watergehalte. Ooit ontstaan is het onomkeerbaar en drukt het de waarde fors. Sommige mijnen produceren opaal met hogere neiging tot crazing dan andere; verkopers 'stabiliseren' opalen soms door ze wekenlang in water of glycerine te bewaren voor verkoop. Ethisch is dat discutabel en de crazing kan alsnog optreden. Bij aankoop van een dure opaal: vraag naar herkomst en hoe lang de steen al in de huidige staat is.
Foliezetting bij opaal is minder gebruikelijk dan bij korund, maar komt voor bij vroege Cervenica-stenen om het spel te versterken. Bij Australisch materiaal is dit zelden nodig — de intrinsieke kleur is sterk genoeg.
