Het karaatstelsel in het kort
Karaat drukt het aandeel zuiver goud uit in vierentwintigsten. 24 karaat is 100 procent goud, 22 karaat is 91,6 procent (916/1000), 18 karaat is 75 procent (750/1000), 14 karaat is 58,5 procent (585/1000), en 9 karaat slechts 37,5 procent (375/1000). Landen kozen historisch verschillende gehalten. Nederland en Frankrijk werken al eeuwen met 14 en 18 karaat. Groot-Brittannië voegde daar 9, 12, 15 en 22 karaat aan toe. Duitsland en Oostenrijk hanteerden ook 8 karaat (333).
Voor vintage sieraden zijn deze verschillen geen curiositeit maar een determinatietool. Een 15-karaats broche is per definitie Brits en dateert vóór 1932, want daarna schafte de Britse assay office deze standaard af. Een 12-karaats stuk is eveneens Brits en van vóór 1932. Een 22-karaat gele ring wijst richting Indiase, Portugese of vroeg-Britse herkomst. 8 karaat komt vrijwel uitsluitend voor bij Duits werk uit de eerste helft van de twintigste eeuw en is bij een Nederlandse taxateur zelden een positief teken: het gehalte ligt onder de Nederlandse waarborggrens en het stuk kan hier niet zonder meer worden verhandeld als goud.
De historische reden voor deze veelheid is de spanning tussen twee doelen: hoe hoger het karaat, hoe zuiverder en dus zachter het goud; hoe lager, hoe harder en beter bewerkbaar. Voor massief hofjuweel en Aziatisch spaargoud kies je hoog (22 of 20 karaat); voor draagbare, dagelijkse sieraden kies je middelhoog (18 of 14); voor betaalbaar massaproduct kies je laag (9 of 8). Elke traditie zocht een ander evenwicht, en dat evenwicht zit vandaag nog in de stempels.
Karaat drukt het aandeel zuiver goud uit in vierentwintigsten.
Kleur en legering
De kleur van goud komt niet van het goud zelf maar van de legering. Geelgoud wordt gemengd met koper en zilver in ongeveer gelijke delen: dat geeft de warme, iets rode gele tint die je met vintage werk associeert. Modern industrieel geelgoud is vaak koeler omdat de verhouding koper/zilver anders wordt gekozen. Roodgoud (of rosé) krijgt aanzienlijk meer koper, wat vooral in Russische en Franse art nouveau te zien is; het diepe, bijna oranje-rode roodgoud is een signatuur van laat-negentiende-eeuws Russisch werk.
Witgoud bestaat pas sinds de jaren twintig. Het werd oorspronkelijk gelegeerd met nikkel als goedkoop alternatief voor platina toen dat in de Eerste Wereldoorlog schaars werd; later, en vandaag, wordt palladium gebruikt omdat nikkel bij een deel van de dragers huidallergie oproept. Vintage witgoud van vóór 1920 bestaat simpelweg niet: alles wat wit is en ouder lijkt, is platina of zilver. Een 'witgouden' art-nouveau broche is bijna altijd een verkeerde beschrijving van een platina of zilveren stuk.
Groen goud (met een hoog zilvergehalte, weinig of geen koper) verschijnt af en toe in art-nouveau bladwerk en bij bepaalde Zwitserse en Duitse Jugendstil-werken. Tricolore werk, waarin geel, roze en groen goud in één stuk zijn verwerkt, is typisch Frans, tweede helft negentiende eeuw. Op een broche zie je dan een bloem in roodgoud, bladeren in groen goud en stampers in geelgoud, alles in één stuk gezet.
Platina, palladium en de moderne witte metalen
Platina werd rond 1900 populair voor edwardiaans en art-decowerk. Het metaal is aanzienlijk zwaarder dan witgoud (soortelijk gewicht 21,45 tegen 15-16 voor witgoud) en heeft een koelere, iets grijzere gloed. Vroeg platina bevat vaak 10 procent iridium; latere legeringen 5 procent. De stempel is meestal PT950, PT900 of het woord PLAT. Franse platinaskeurmerken uit de art-decoperiode zijn een hondenkop (Parijs) of een sluitstempel met varianten per assay office.
Het gewicht is een van de betrouwbaarste eerste tests: neem een edwardiaanse broche in de hand naast een moderne witgouden versie van dezelfde omvang, en het verschil is direct voelbaar. Voor een taxateur is dat gewicht in combinatie met de zetstijl (fijn draadwerk, filigrein, millegrain-randjes) een sterke aanwijzing voor platina van rond 1910.
Palladium als zelfstandig edelmetaal in sieraden is een naoorlogs verschijnsel en verschijnt in de Nederlandse markt pas rond de eeuwwisseling van 2000. In vintage werk kom je het praktisch niet tegen als hoofdmateriaal.
Zilver: standaarden, streek en gebruik
Zilver werd voor sieraden vooral gebruikt in Scandinavië, Mexico, Duitsland (Jugendstil), Nederland (streeksieraden en Amsterdamse school) en voor Boheems granaatwerk. Sterling zilver (925/1000) is de meest voorkomende standaard en de Britse norm. Nederland kent daarnaast 835 (grootzilver) en 800 (kleinzilver); Duitsland werkt vaak in 800, Frankrijk in 950 (eerste titel) of 800 (tweede titel).
Zilver met vergulding heet vermeil (in Frankrijk verplicht op basis van edelzilver) en is niet minder waardevol wanneer het uit een herkenbare periode komt: negentiende-eeuwse vermeilstukken van Franse of Russische makelij hebben zelfstandige verzamelaarswaarde. Onderscheid vermeil van gilt metal: vermeil is zilver-met-goudlaag (edele kern), gilt metal is basismetaal-met-goudlaag (geen edele kern) en slijt sneller door omdat de dragende laag doorbreekt.
Boheemse granaatstukken uit de tweede helft van de negentiende eeuw zijn vaak gemaakt in laaggehalte zilver of tombak (koper-zink met een dun laagje verguldsel) met daarin een dicht patroon rozen- of pyropegranaten. Het metaal is daar bijgewerk: de waarde zit in de granaten en de zetting, niet in het metaal.

Pinchbeck, doublé, rolled gold en gold-filled
Pinchbeck, ontwikkeld door de Londense horlogemaker Christopher Pinchbeck rond 1720, is een koper-zinklegering die op goud lijkt maar geen goud bevat. Vroeg pinchbeck (voor ongeveer 1850) heeft verzamelaarswaarde als tijdsdocument, zeker wanneer het in georgiaanse of vroeg-victoriaanse sluitstukken en cameo's is verwerkt. Later negentiende-eeuws werk met dezelfde uitstraling heet meestal gilt metal, doublé of rolled gold en is minder gewild.
Doublé (Frans) en rolled gold (Engels) verwijzen naar een mechanisch aangebrachte goudlaag op een basismetaalkern; de laag is dikker dan een verguldsel maar dunner dan het gouddeel van vermeil. Het Amerikaanse gold-filled (GF, 1/20 12k of 1/10 14k) heeft een goudlaag van minimaal een twintigste van het totaalgewicht, en is voor Amerikaanse late-victoriaanse en art-decosieraden een normale materiaalkeuze.
Voor de vintage-markt is het onderscheid belangrijk: een 'gouden' broche uit 1900 die na weging en test rolled gold blijkt, verandert niet ineens in rommel, maar zijn intrinsieke waarde is fractioneel. De verzamelwaarde zit dan in de vorm, de maker of de zetsteen. Wees dus voorzichtig met verkoopteksten die schrijven 'in goud'; vraag altijd om de gehaltestempel of, bij ontbreken, om een testresultaat.
Wat het gewicht je vertelt
Een 18-karaats ring van vier gram voelt anders in de hand dan een 9-karaats ring van dezelfde omvang: hoger karaat is zwaarder omdat goud een hoog soortelijk gewicht heeft. Vintage stukken zijn vaak zwaarder dan modern equivalent werk: massieve schacht, dikke banden, robuuste zettingen. Modern kastwerk is holler en lichter, ontworpen om een indruk van volume te geven zonder het bijbehorende materiaalgebruik.
Wie regelmatig sieraden weegt, ontwikkelt gevoel voor wat een periode-authentiek gewicht is. Een edwardiaanse platina-hangere broche van 12 gram voelt zwaar voor zijn afmeting; een moderne witgouden nabootsing weegt hetzelfde alleen wanneer er extra materiaal in verwerkt is dat de originele fijnheid teniet doet. Dat gewicht is dus niet alleen een indicatie van edelheid maar ook van fabricageperiode.
Weeg altijd zonder edelstenen en zonder parels als je de intrinsieke waarde wilt inschatten; bij edelsteenrijke stukken (colliers met veel diamant of parels) is het gewicht van de stenen soms hoger dan dat van het metaal, en de simpele deelsom ontspoort dan volledig.
Zelf testen: wat kan en wat je beter overlaat
Er zijn drie testmethodes die je thuis of aan de balie kunt gebruiken. De magneettest sluit uit dat het stuk uit magnetisch basismetaal bestaat: goud, zilver, platina en messing zijn allemaal niet magnetisch, dus een positief resultaat (het stuk plakt) betekent staal of ijzer, punt uit. Een negatief resultaat zegt alleen dat het níet staal is, niet dat het edelmetaal is: veel gouddoublé heeft een koperkern die ook niet magneteert.
De zuurtest (Aqua Regia of goudtest-vloeistoffen per karaat) werkt op een geslepen krasje op een toetssteen en is de klassieke edelsmedenmethode, maar beschadigt het oppervlak zichtbaar op een onopvallende plek. Doe dit niet zelf op emailwerk, op stukken met een patina die tot de waarde bijdraagt (Boheems granaat, victoriaans rouwsieraad) of op iets met een signatuur op de rand.
De XRF-meting (röntgenfluorescentie) is destructievrij: een meetpistool op het oppervlak levert binnen tien seconden een gehalteanalyse per legeringsbestanddeel. Elke edelsmid, taxateur of edelmetaalbedrijf met een XRF kan dit voor een paar euro doen. Voor stukken vanaf een paar honderd euro waarde is dit de standaardmethode; vertrouw nooit blind op alleen de stempel, want vervalsingen (imitatiestempels op basismetaal) komen voor.
Wat de stempel wél en niet betekent
Een gehaltestempel op een Nederlands sieraad geeft aan dat het stuk op moment van keuring door de Waarborg Holland is getoetst en het aangegeven gehalte haalt. Voor werk vanaf 1987 is een verantwoordelijkheidsteken (meesterteken of firmateken) verplicht naast het gehalte- en waarborgteken; voor ouder werk verschijnen historische stempels die per periode en per stad afwijken (zie de stempel- en keurmerkengids).
Een sieraad zonder gehaltestempel is niet automatisch onedel: veel buitenlandse stukken zijn nooit in Nederland gekeurd (importstukken uit familiebezit), en zeer klein werk (onder 1 gram) is stempelvrijgesteld. Wat je bij ongestempeld werk doet: laten testen. Wat je bij een verdachte stempel doet: laten testen. De stempel is een start van het onderzoek, geen eindpunt.
Imitatiestempels komen vooral voor op basismetaal dat als 'antiek goud' wordt aangeboden op online marktplaatsen. Herkenbaar aan onscherpe randen, verkeerd geplaatste extra tekens of stempels die historisch niet samen voorkomen (bijvoorbeeld '585' in combinatie met een negentiende-eeuws slaghuisje van de Waarborg dat het gehalte 585 niet kende).
Kort werkschema bij een onbekend stuk
Weeg het stuk en noteer het gewicht. Bekijk het onder een 10x loep aan alle zijden, met bijzondere aandacht voor de sluiting, de binnenkant van de band en de achterkant van broches: daar zitten stempels. Fotografeer alle stempels apart, groot en scherp. Doe de magneettest. Kijk of het metaal een consistente kleur heeft op slijtplekken (op de rand van een ring, aan de binnenkant van een sluiting): een doorschijnende koperkern verraadt doublé of gold-filled.
Op basis van deze eerste ronde weet je meestal of het stuk in de goud-, zilver-, platina- of imitatiecategorie valt. Voor definitieve gehalte- en herkomstbepaling volgt XRF-meting bij een edelsmid of taxateur, gecombineerd met stijldeterminatie via onze stijlgidsen en, waar mogelijk, herkenning van een maker via de makersgidsen of merkengids.
Overzicht in één tabel
| Stempel | Gehalte | Typische herkomst |
|---|---|---|
| 333 | 8 karaat | Duitsland, Oostenrijk (20e eeuw) |
| 375 | 9 karaat | Groot-Brittannië, Ierland |
| 417 | 10 karaat | Verenigde Staten |
| 585 | 14 karaat | Nederland, Duitsland, VS |
| 625 | 15 karaat | Groot-Brittannië (voor 1932) |
| 750 | 18 karaat | Frankrijk, Nederland, Zwitserland |
| 916 | 22 karaat | India, Portugal, vroeg Brits |
| 950 | Platina | Internationaal, vanaf 1900 |
Gehalte-aanduidingen in duizendsten, zoals ze op moderne stempels verschijnen. Historische stempels gebruiken vaak alternatieve tekens — zie de rubriek Stempels & keurmerken.
