De waardefactoren
Een taxateur weegt bij deze categorie een vast aantal criteria. Hieronder leggen we ze uit, in de volgorde waarin ze doorgaans worden bekeken.
Gehalte: wat de stempel je vertelt
In Nederland zijn de gangbare gehalten 14 karaat (585 duizendsten) en 18 karaat (750). In Engeland kom je daarnaast 9 karaat (375), 15 karaat (625, alleen tussen 1854 en 1932) en 22 karaat (916) tegen; Frans werk is doorgaans 18 karaat met een adelaarskop als teken. Het gehalte bepaalt rechtstreeks hoeveel fijngoud er in de ring zit: een ring van 6 gram in 18 karaat bevat 4,5 gram zuiver goud, dezelfde ring in 9 karaat maar 2,25 gram.
Een 15-karaats stempel is bovendien een gratis datering: dat gehalte bestond alleen in die Britse periode, wat het stuk direct in de tweede helft van de negentiende eeuw plaatst. De landspecifieke tekens staan uitgewerkt in de keurmerken-hub.
Gewicht en holle constructies
Twee ringen die er identiek uitzien, kunnen drie keer in gewicht verschillen. Vanaf de jaren zestig zijn veel ringen hol of met een dunne wand uitgevoerd om materiaal te sparen. Dat is geen bedrog, maar het halveert wel de materiaalwaarde. Je herkent het aan het lichte gevoel in de hand, een naad aan de binnenzijde, of een licht indeukbare bovenkant.
Weeg altijd zelf voordat je een bod accepteert. Een keukenweegschaal met één decimaal is nauwkeurig genoeg voor een indicatie; de inkoper weegt op honderdsten.
Dagkoers en wat een inkoper werkelijk betaalt
De goudprijs wordt genoteerd per troy ounce (31,1 gram) en beweegt dagelijks. Reken de koers om naar euro per gram fijngoud en vermenigvuldig met het gehalte. Een inkoper betaalt daar niet honderd procent van: gebruikelijk is tachtig tot vijfennegentig procent, afhankelijk van hoeveelheid, gehalte en of het stuk direct doorverkoopbaar is of eerst gesmolten moet worden.
Vraag altijd naar het percentage én naar het gewicht dat men hanteert. Een net iets lager gewogen gewicht in combinatie met een net iets lager percentage scheelt zo twintig procent zonder dat het opvalt.
Wanneer de verzamelwaarde de goudprijs overstijgt
Er zijn vier signalen. Handwerk — zichtbare gravure, guillochering, met de hand gezette stenen, kleine onregelmatigheden in symmetrie. Periodekenmerken — millegrain-randen, roos- of oude briljantslijpsel, gesloten zettingen met folie eronder. Een signatuur of makersteken naast het gehalteteken. En een uitgesproken vorm die aan een decennium is toe te wijzen.
Zie je twee of meer van deze signalen, verkoop de ring dan niet per gram. Meer hierover in het artikel sieraad meer waard dan de goudprijs.
Kleurgoud en legeringen
Rosé- en roodgoud danken hun kleur aan een hoger kopergehalte, groengoud aan zilver. In de jaren dertig en veertig was rosé toonaangevend; in de jaren tachtig kwam het driekleurige werk op. Kleur is voor de materiaalwaarde irrelevant — het gehalte staat vast — maar wel bepalend voor de verkoopbaarheid. Rosé uit de retroperiode is momenteel gewild, wit uit de jaren negentig aanmerkelijk minder.
Staat, maat en draagbaarheid
Een dun gesleten band, een scheve kop of een eerder verkeerd gesoldeerde naad kosten geld, omdat de koper de reparatie in mindering brengt. Bij een ring die vooral materiaalwaarde heeft, maakt de staat weinig uit — hij gaat toch de smeltkroes in. Bij een verzamelstuk maakt het juist alles uit: daar is een ongerestaureerde, eerlijke staat meer waard dan een strak opgepoetst exemplaar.