Londen, 1861. Prins Albert is net gestorven en heel Groot-Brittannië hult zich in zwart. Koningin Victoria zal veertig jaar lang uitsluitend rouwkleding dragen — en met haar een halve wereld. In de etalages van Bond Street verschijnen broches van gagaat, ringen met haarwerk van de overledene, medaillons met een miniatuurportret onder een laagje kristal. Rouw is een industrie geworden, en de sieradenmakers hebben er hun handen aan vol.
Maar de victoriaanse periode is niet alleen zwart. Ze duurt zestig jaar en beslaat een romantisch begin, een sombere middenperiode en een luchtig, sterrenkijkend einde. Wie een victoriaans sieraad in handen krijgt, houdt een hoofdstuk uit een lange, veelzijdige eeuw vast — met eigen materialen, eigen symboliek en een eigen manier van dragen.
De wereld waarin dit ontstond
De victoriaanse tijd valt samen met de industriële revolutie, de opkomst van de gegoede burgerij en de eerste warenhuizen. Sieraden worden voor het eerst massaal fabrieksmatig gemaakt — vaak in Birmingham — en tegelijk in exclusieve handwerkateliers in Londen en Parijs. De middenklasse kan zich nu ook goud veroorloven, al is het dan in de goedkopere 9 karaat.
Vrouwen dragen crinoline en later tournure, hoge kraagjes en handschoenen. Sieraden worden gekozen bij die kleding: lange oorbellen bij een opgestoken kapsel, ceintuur-gespen bij een strakke tailleband, medaillons over een geplooide bloes. Overdag draagt men kleine, discrete stukken; 's avonds komt het echte werk uit de kluis — parures van collier, oorbellen, broche en armband die samen ontworpen zijn.
De taal van bloemen (floriography) is niet vrijblijvend. Een vergeet-mij-nietje betekent trouwe herinnering, een pensée staat voor 'denk aan mij', een klimopblad symboliseert eeuwige verbondenheid. Wie zijn geliefde een broche met viooltjes gaf, gaf haar een verklaring — geen decoratie. Zie de motiefgids bloemensymboliek voor de volledige code.
De victoriaanse tijd valt samen met de industriële revolutie, de opkomst van de gegoede burgerij en de eerste warenhuizen.
Zo herken je het
Materiaal in drie golven. Vroeg-victoriaans (tot circa 1860) is voornamelijk 15 of 18 karaat geel goud, vaak in dun bladgoud over een basismetaal (zogenaamd rolled gold). Mid-victoriaans zwenkt naar donkere materialen: gagaat uit Whitby, onyx, zwart glas, gitzwart geëmailleerd goud. Laat-victoriaans keert terug naar het licht met 9 karaat, zilver en natuurlijke parels.
Steenzetting is bijna altijd gesloten aan de achterkant (closed back) tot circa 1880 — de steen zit op een folie die de kleur versterkt. Vanaf de aesthetic-periode (1885–1901) verschijnen open zettingen die licht doorlaten. Diamanten zijn old mine cut of old European cut, met de hand geslepen, kleiner van tafel en dieper van paviljoen dan moderne briljanten.
Motieven vertellen het decennium. Slangen (Prins Albert gaf Victoria een verlovingsring in de vorm van een slang met smaragden ogen — dat werd meteen mode), harten met kroontjes, handen die een bloem vasthouden, klavertjes vier, halvemanen en sterren voor de late periode.
Materiaal in drie golven.

