De traditie van een steen per geboortemaand is ouder dan we vaak denken. Ze gaat terug op de twaalf stenen die volgens het Bijbelse Exodusverhaal op het borstschild van de hogepriester waren aangebracht — één voor elke stam van Israël. In de eerste eeuwen van onze jaartelling koppelden joodse en christelijke geleerden die twaalf stenen aan de twaalf maanden en aan de twaalf dierenriemtekens. Het Poolse joodse gemeenschap in de achttiende eeuw was, voor zover we weten, de eerste die de moderne praktijk introduceerde: één steen dragen die bij je eigen geboortemaand hoort. De Amerikaanse juwelierbranche codificeerde de lijst in 1912, in een poging het diverse en soms tegenstrijdige aanbod van 'geboortestenen' te standaardiseren. Sinds dat moment is de lijst grotendeels stabiel gebleven, met wisselende toevoegingen — tanzaniet werd bijvoorbeeld pas in 2002 aan december toegevoegd.
Voor vintage sieraden zit de rijkdom niet in de moderne standaardlijst maar in de historische praktijk. Elke maand had in de negentiende en vroeg-twintigste eeuw een uitgesproken voorkeur — vaak beïnvloed door beschikbaarheid, mode en koninklijke smaak. Zo maakte koning Edward VII de peridoot voor augustus populair door zijn persoonlijke voorliefde, en droeg de granaat voor januari zijn victoriaanse hoogtijperiode dankzij de Boheemse pyroop-industrie. De onderstaande twaalf secties lezen de standaardlijst dus twee keer: als traditie én als vintage praktijk.