Parijs, jaren 1770. In het atelier van Georges Frédéric Strass — de Elzasser juwelier wiens naam de generieke term voor loodkristal-facetsteentjes zou worden — slijpt een gezel met de hand facetten in een blokje glas. Het is geen imitatie-diamant in de moderne zin; het is een eigen ambacht met eigen esthetische conventies. De steen wordt gefolied (een dun laagje zilver- of tinfolie tegen de achterkant) om het licht te reflecteren, en gezet in een gesloten pot van zilver of laagkaraats goud die geen water mag zien. Klanten uit adel en welgestelde bourgeoisie kopen paste voor formele gelegenheden, voor reisgarnituren en voor werk waarin diamant technisch of financieel niet paste. Twee eeuwen later is dat werk verzamelmarkt geworden.
Paste is loodkristal-glas met een hoge brekingsindex — technisch aanzienlijk hoger dan gewoon glas, dicht bij die van kwarts. Handmatig geslepen facetten, meestal in oud-briljant of table-cut, geven een diep en warm fonkelen dat verschilt van zowel diamant als van moderne machinale rhinestones. In goed werk zijn de facetten licht onregelmatig, wat de fonkeling minder scherp maar rijker maakt.
De steen in het kort
In vintage sieraden ontmoet je paste vooral in Georgian werk (1770–1830) en in doorlopend Frans en Engels werk tot circa 1900. Vanaf de jaren twintig verschuift de terminologie naar 'strass' en 'rhinestone'; de naoorlogse Amerikaanse costume jewellery uit Providence en Attleboro (Trifari, Coro, Weiss) gebruikt strass op industriële schaal in ontwerpen die zelf beroemd zijn.
Voor de kadering van naoorlogs Amerikaans strass-werk: de gids costume jewellery. Voor onderhoud van foliezettingen: de gids onderhoud. Kernboodschap: oud paste is geen 'nep' maar een historisch ambacht met eigen verzamelwaarde.
In welke periodes je deze steen tegenkomt
Georgian werk (1770–1830) toont paste in gesloten foliezettingen, meestal in gesmede zilveren of laagkaraats-gouden monturen, met individueel gefacetteerde stenen die de handmatige onregelmatigheid tonen. Zie de kadering in reproducties herkennen: pas op met het woord 'reproductie' voor Georgian paste — het is periode-authentiek, geen namaak. Deze stukken hebben inmiddels een eigen premie op de veiling.
Victoriaans werk (1837–1900) gebruikt paste zowel in nieuw fijner werk als in mode-schmuck. Voor de bredere zettingsconventies zie de victoriaanse stijlgids. In deze periode komen ook zwart en gekleurd paste voor — een 'zwarte diamant' broche uit 1880 is bijna zeker paste met zwarte foliebacking, en dat is authentiek.
Naoorlogse Amerikaanse rhinestones (1935–1970) zijn een eigen categorie. Zie de gids costume jewellery. Deze steentjes worden machinaal geslepen, meestal in Oostenrijk (Swarovski, vanaf 1892 industrieel actief) of Tsjecho-Slowakije, en op ontwerpen van Trifari, Coro, Weiss en Eisenberg gemonteerd. Het is een eigen verzamelgebied dat zich niet moet laten verwarren met Georgian paste.
Georgian werk (1770–1830) toont paste in gesloten foliezettingen, meestal in gesmede zilveren of laagkaraats-gouden monturen, met individueel gefacetteerde stenen die de handmatige onregelmatigheid tonen.
Oud vs modern
Handgeslepen paste versus machinale rhinestones. Onder een 10× loep toont Georgian of vroeg-victoriaans paste licht onregelmatige facetten — geen twee steentjes zijn identiek gepolijst — en soms kleine luchtbelletjes in het glas. Machinale rhinestones (post-1900, dominant post-1935) tonen identieke facetten met scherpe randen en zonder luchtbelletjes. Beide zijn periodecorrect binnen hun eigen tijdvak.
Foliebacking is een kernkenmerk van oud werk. Bij paste in gesloten zetting zit tegen de achterkant een dun folie (meestal zilver, tin of gekleurd metaal) dat het licht reflecteert en de fonkeling versterkt. Dit is de reden waarom oud paste NOOIT in water mag: als vocht tussen steen en folie dringt, oxideert de folie en verkleurt de steen onherstelbaar (donkere vlekken, doffe zones). Zie de gids onderhoud. Reparatie van beschadigde foliebacking is specialistisch werk; een moderne juwelier lost het meestal 'op' door de folie te vervangen door open zetting, wat de authenticiteit vernietigt.
Kleur en gekleurd paste. In Georgian en victoriaans werk komen groen, blauw, rood, geel en zwart paste voor. De kleur zit in het glas én in de foliebacking; beide dragen bij. Een 'smaragd-paste' broche uit 1810 is een authentieke Georgian paste-broche, geen namaak-smaragd. Waardering geschiedt binnen het eigen paste-veld, niet in vergelijking met edelstenen.
