De dierkoppen: goud, platina en zilver
Het bekendste Franse teken is de tête d'aigle — de adelaarskop, ingevoerd in 1838 als gehalteteken voor 18 karaat goud van het keurkantoor in Parijs. Voor werk uit de departementen (de provincies buiten Parijs) gold in dezelfde periode een andere variant voor 18 karaat: het paardenhoofd (tête de cheval), in gebruik tot 1919. Adelaarskop en paardenhoofd staan dus voor hetzelfde gehalte, maar horen bij een andere jurisdictie. Voor de kleinste onderdelen (schakels van een ketting, oorbellen) verscheen soms een klein kopje van een dier — de mier bijvoorbeeld — als verdicht gehalteteken.
Zilver kreeg vanaf 1838 de Minerva-kop, herkenbaar aan de behelmde krijgsgodin in profiel. Voor kleine stukken werd in plaats daarvan een fret gebruikt. Voor platina voerde Frankrijk in 1912 een eigen gehalteteken in: de hondenkop (tête de chien) als binnenlands waarborg. De mercuriuskop is daarnaast het exportteken en de zwaan het teken dat gebruikt wordt voor werk waarvan de herkomst of het gehalte niet met zekerheid vaststaat — vaak buitenlands werk dat via Frankrijk verhandeld wordt. De keuze voor dieren en mythologische figuren maakt Frans werk visueel meteen herkenbaar, ook zonder loep.
Het bekendste Franse teken is de tête d'aigle — de adelaarskop, ingevoerd in 1838 als gehalteteken voor 18 karaat goud van het keurkantoor in Parijs.
Waarom Franse stempels zo klein en verstopt zitten
Franse ateliers hebben van oudsher een voorkeur voor extreem kleine stempels op onopvallende plaatsen. Op ringen zit het keur vaak aan de binnenkant tegen de sluitring aan; op broches op de rugzijde onder een pin-mount; op kettingen op één enkele schakel of op de sluiting. De reden is deels esthetisch (Frans juweliershandwerk hecht aan een gaaf oppervlak) en deels praktisch (de stempels zijn klein om weinig materiaal te verplaatsen).
Wie een Frans stuk in de hand krijgt en op eerste inspectie geen keur ziet, moet dus systematisch verder zoeken: onder een loep, onder zijlicht, op alle sluitingen, aan de binnenkant van elke ring, tegen elke pin. In vrijwel alle gevallen is er wél een keur, alleen niet waar je het meteen verwacht.

Geen jaarletter: dateren via stijl en meesterteken
In tegenstelling tot Nederland en het Verenigd Koninkrijk kent het Franse systeem geen doorlopende jaarletter. Datering van Frans werk loopt daarom via twee andere sporen. De stijl van het sieraad — de vormtaal, de gebruikte steensoorten, het slijpsel van eventuele diamant — geeft een periode-inschatting van ongeveer een decennium. Het poinçon de maître, het meesterteken van de goudsmid of het atelier, verfijnt die datering.
Franse meestertekens zitten voor goud altijd in een ruit (losange) en voor zilver in een ovaal. Binnen dat kader staan de initialen van de maker plus vaak een klein symbool: een ster, een klavertje, een halve maan. Wie het meesterteken kan koppelen aan een geregistreerde maker (via publieke registers in Franse antiquariaten) kan zowel dateren als provenance vaststellen.
Een poinçon de maître lezen
Een Frans meesterteken bestaat uit drie onderdelen: het kader (ruit voor goud, ovaal voor zilver), de initialen (meestal twee letters) en een onderscheidend symbool. Het symbool is essentieel — verschillende ateliers gebruikten dezelfde initialen en het symbool onderscheidt hen. Een LC met een ster is een andere maker dan een LC met een klavertje.
Voor grote namen (Cartier, Boucheron, Van Cleef & Arpels) zijn de tekens goed gedocumenteerd. Voor onbekendere ateliers is de zoektocht moeilijker; specialistische publicaties en de collectiedatabases van musea zijn dan de aangewezen bronnen. Verzin nooit een maker op basis van initialen alleen — dat is een van de meest gemaakte determinatiefouten.