De waardefactoren
Een taxateur weegt bij deze categorie een vast aantal criteria. Hieronder leggen we ze uit, in de volgorde waarin ze doorgaans worden bekeken.
Periode bepalen zonder papieren
De constructie verraadt de tijd. Gesloten zettingen met een metalen bodem onder de steen wijzen op werk van vóór circa 1880. Millegrain — het rijtje minuscule bolletjes langs een rand — hoort bij edwardiaans en vroeg art deco. Calibré-gezette kleurstenen, exact op maat geslepen, zijn typisch voor de jaren twintig en dertig. Massieve, hoekige volumes in rosé goud horen bij de retroperiode. Asymmetrie en ruwe textuur wijzen op de jaren zestig en zeventig.
Het edelmetaal helpt mee: witgoud werd pas na de Tweede Wereldoorlog algemeen gangbaar, dus een 'art-deco' ring in witgoud is vrijwel zeker later werk in de stijl van.
Origineel periodewerk versus latere stijlkopie
Het verschil tussen 'art deco, circa 1925' en 'in art-decostijl, circa 1975' is in de veilingwereld een prijsverschil van een factor drie tot tien. Latere kopieën zijn te herkennen aan machinaal gelijke stenen, moderne briljantslijpsels, standaardzettingen en een te perfecte symmetrie. Ze zijn draagbaar en decoratief, maar horen in een andere prijsklasse thuis.
Materiaal en steensoort
Platina en hooggehalte goud liggen boven zilver en 9 karaat, maar het materiaal is zelden de hoofdmoot van de prijs. Belangrijker is welke stenen erin zitten en of ze bij de periode passen. Natuurlijke saffier, robijn en smaragd uit oud werk zonder moderne behandelingen zijn schaars en gewild; synthetische varianten (vanaf circa 1905 industrieel beschikbaar) komen in periodewerk gewoon voor en zijn geen vervalsing, maar wel aanzienlijk lager gewaardeerd.
Opaal, turkoois en granaat zijn periode-typisch voor de negentiende eeuw en dragen daar de waarde mede; in later werk voegen ze weinig toe.
Kwaliteit van uitvoering
Kijk naar de achterzijde. Bij goed werk is de onderkant net zo netjes afgewerkt als de bovenkant: doorbroken galerijen, schone soldeernaden, gelijkmatige klauwen. Bij massaproductie is de achterzijde ruw, met gietporie en zichtbare vulmassa. Dat verschil is bij twee visueel identieke ringen goed voor een prijsverschil van een factor twee.
Maker, signatuur en herkomst
Een makersteken naast het gehalteteken is een reden om door te zoeken. Nederlandse namen als Bonebakker, Van Kempen & Begeer en Steltman, Scandinavisch werk van Georg Jensen, en Duits jugendstilwerk van Theodor Fahrner hebben een eigen kopersgroep die boven de anonieme markt betaalt. Documentatie — een originele doos, een rekening, een archiefvermelding — kan de waarde verder verhogen. Zie de gids over gesigneerde stukken.
Staat, maat en restauratiegeschiedenis
Bij ringen is slijtage geconcentreerd op twee plekken: de onderkant van de band en de punten van de klauwen. Een versleten band is een normale, oplosbare reparatie. Weggesleten klauwen zijn urgenter — daar gaat op enig moment een steen verloren. Een eerdere maatverandering is acceptabel mits netjes uitgevoerd; een zichtbaar afwijkend stuk metaal in de band drukt de prijs met tien tot twintig procent.