Parijs, rond 1870. Een dame zit aan haar toilettafel, opent een klein ovaal medaillon dat aan een gouden ketting rond haar hals hangt, en drukt met haar duim voorzichtig op het scharniertje. Het deksel klikt open. Aan de linkerkant zit een geschilderde miniatuur van haar echtgenoot; aan de rechterkant, achter een dun laagje bergkristal, een lok van zijn haar. Het is een gebaar dat zij vele keren per dag maakt — het openen, het kort kijken, het sluiten. Het medaillon is voor haar geen decoratie maar een dagelijkse ontmoeting.
Medaillons horen tot de meest persoonlijke sieraden die er bestaan. Ze zijn ontworpen om iets te bewaren: een portret, een lok, een gedroogd bloempje, later een foto. De vorm is eeuwenoud, maar de bloei ligt tussen 1800 en 1920. In die honderdtwintig jaar werd het medaillon achtereenvolgens draagbare portretgalerij, rouwrelikwie, edwardiaans juweel en fotoholder voor de moderne middenklasse. De sleutel tot dateren ligt niet in het front — dat kan zeer decoratief of juist heel sober zijn — maar in wat er binnenin zit.
De betekenis
Wat een medaillon uniek maakt, is de dubbele functie: buiten toont het iets aan de wereld, binnen bewaart het iets voor de drager alleen. Die combinatie maakte het tot het geschenk bij uitstek voor mijlpalen — verloving, huwelijk, geboorte, verlies. Er zit in bijna elk oud medaillon een verhaal dat niet direct af te lezen is, en dat is precies de aantrekkingskracht.
In de vroege negentiende eeuw waren miniatuurportretten de standaardinhoud. Op ivoor of perkament geschilderd, vaak niet groter dan een duimnagel, gaven ze de drager een echt gezicht om naar te kijken in tijden waarin lange scheidingen (militaire dienst, koloniale posten, doodgewone rouw) de norm waren. Naast het portret zat vaak haarwerk — een gedraaide vlecht, een symbolisch monogram, een gebogen krul die een letter vormde.
Met de opkomst van de fotografie verschuift de inhoud. De daguerreotypie (vanaf 1839) is de eerste techniek die in medaillons opduikt, gevolgd door de ambrotype (vanaf de jaren 1850) en vanaf circa 1860 door papierfoto's — albuminedruk en carte-de-visite-formaten die goed in een medaillon passen. Dat verandert ook de vorm: fotomedaillons zijn iets platter, hebben grotere binnenramen en dikkere glaasjes om de fragiele afbeelding te beschermen. Voor wie snel wil dateren: een geschilderde miniatuur of een vroege fotoplaat (daguerreotype, ambrotype) wijst op de vroegste periode, terwijl kleine papierfoto's al vanaf de jaren 1860 in medaillons voorkomen — niet pas na 1880.
Door de periodes heen
Vroeg-victoriaanse medaillons (1837–1860) zijn vaak flink, ovaal en van 15 of 18 karaat geel goud. Het front kan geciseleerd zijn met bloemen, een geometrisch guilloche-patroon of een monogram; binnenin zit meestal één vak met een portretminiatuur of een haarcompositie achter kristal, soms met een tweede vak aan de achterkant. Zie voor de bredere context de victoriaanse stijlgids. Scharnieren zijn massief, met een enkele pin die van boven doorheen gaat; het slot is een simpele haakjesconstructie.
Midden-victoriaanse rouwmedaillons (1860–1880) zijn vaker zwart geëmailleerd, of van git, met gouden letters ('In memoriam', een sterftedatum). Het binnenwerk is bijna altijd een haarvakje, soms met een portretje. Deze stukken staan in nauw verband met de rouwsieraden uit dezelfde periode.
Edwardiaanse medaillons (1901–1910) zijn een aparte klasse: verfijnd, plat, vaak in gegraveerd 9 of 15 karaat met een klein glazen vakje voor een foto. Zie de edwardiaanse stijlgids. Guilloche-gravure onder transparant email is een klassieke edwardiaanse techniek — een dun laagje email waardoor je nog het onderliggende patroon ziet. Deze medaillons dateren zichzelf haast: eenvoud, symmetrie, veelal een monogram of enkele bloem op het front.
Art-nouveau medaillons (1895–1910) breken met de symmetrie: een vrouwenprofiel met loshangend haar, een libel, een asymmetrische krul. Voor tijdgeest zie de art-nouveau stijlgids. Ze worden vaker in zilver uitgevoerd, soms met plique-à-jour-email, en zijn tegenwoordig zeer gewild.
Na 1920 worden medaillons kleiner, ronder en decoratiever; de intieme functie neemt af naarmate fotografie alledaags wordt. Retro-medaillons uit de jaren dertig-vijftig zijn vaak fantasievoller in vorm (hart, bloem, klavertje) maar minder rijk aan inhoud.
Het scharnier is een van de beste dateringsmiddelen.
Zo herken je een origineel
Het scharnier is een van de beste dateringsmiddelen. Bij vroeg-victoriaans werk (voor 1870) is het scharnier meestal een enkele massieve pin, zichtbaar aan de bovenkant van het medaillon. Latere modellen krijgen kleinere, verborgen scharnieren met twee kleine bolletjes aan de zijkant. Edwardiaanse medaillons hebben vaak een fijn, bijna onzichtbaar scharnier dat volledig in het randwerk verzonken zit.
Kijk vervolgens naar de glaasjes. Bergkristal (echt kristal, geen glas) is licht dikker aan de randen en heeft een minimale kleurzweem naar grijs. Modern glas is homogeen helder en dunner. Bij haarvakjes zijn de glaasjes vaak licht bol aan de bovenkant om ruimte te geven aan het haar eronder; een vlak modern glas dat te strak op het haar drukt, is bijna altijd een latere reparatie.
Haarvakjes zelf verdienen aandacht. Origineel haarwerk is gestructureerd — een vlecht, een symmetrische krul, een lus die een initiaal vormt. Los, rondwaaierend haar in een medaillon wijst op reparatie of manipulatie. Bij een portret op ivoor zie je onder een loep vaak fijne kruisarcering; bij een daguerreotype zie je een spiegelend zilverachtig oppervlak; bij een latere fotoprint zie je de karakteristieke gele of sepia-toon van albumine.
Ten slotte de opening. Forceer nooit een medaillon dat niet vlot opengaat. Antieke scharnieren zijn broos en de dunne randen bij het slot breken gemakkelijk. Gebruik desnoods een houten pindekpin of een dunne bamboetandenstoker om zachtjes te tikken langs de rand; nooit een schroevendraaier, nooit een mes, en nooit warmte. Bij een vastzittend medaillon dat om een reden emotionele of financiële waarde heeft, is een gespecialiseerde restaurator de veilige route.