Leven en atelier
De oudste tak begint in het begin van de negentiende eeuw in Utrecht, waar Johannes Mattheus van Kempen een goud- en zilversmederij drijft. In 1858 verhuist het bedrijf naar Voorschoten en groeit uit tot een van de grootste zilverfabrieken van Europa — met een eigen fabriekscomplex aan de Vliet, honderden werknemers en machines die de hand van de meester steeds meer moeten aanvullen zonder haar te vervangen.
Parallel opereert het huis Begeer, vanaf 1868 in Utrecht en later in Zeist, met eenzelfde formule van fabrieksmatig maar redelijk hoogwaardig werk. In de jaren twintig van de twintigste eeuw fuseren beide huizen en gaan verder als één onderneming. In de decennia daarna volgen samenwerkingen en overnames — met Gerritsen & Van Kempen, later ook met andere zilvervarianten — die het merk telkens laten voortbestaan onder een deels gewijzigde constellatie.
Voor de vintage-markt is die geschiedenis relevant omdat dezelfde naam over ruim honderd jaar geproduceerd zilver dekt: van laat-negentiende-eeuws neo-rococo tot naoorlogs, sober modernisme. Wie een stuk in handen krijgt, kijkt daarom eerst naar stijl en stempelset voordat naar 'wat is het waard'.
